naar index

                                                                                                                                        

                                                                                                                                                                                                                                    

In Bunde waren generaties Bartholomeus beroepshalve verbonden aan de parochie van Bunde, daarom een blik op de:

Geschiedenis van de Parochie  Bunde.                                                                                                                                                                                                   

 

 

De oudste kerk van Bunde was een van de proosdijkerk, tevens parochiekerk van Meerssen onderhorige kapel. De overige drie kapellen waren die van Amby, Houthem en Schimmert. Bij akte van 10 of 12 februari 968 schonk Gerberga, koningin van Frankrijk, haar allodium te Meerssen met alle onderhorigheden aan de abdij van Sint-Remigius te Reims. Deze schenkingsoorkonde van Gerberga is wel eens beschouwd als de geboorteakte van de proosdij van Meerssen doch met beperkt recht, want in deze oorkonde wordt niet gesproken over een kloosterstichting vanuit St. Remi. Op grond van de Middeleeuwen geldende praktijken mag men echter wel aannemen dat er sinds 968 een Benedictijn uit Reims in Meerssen heeft gewoond om er als zaakgelastigde op te treden en in zoverre vormt Gerberga's schenking een eerste aanzet tot de proosdij van Meerssen. Voor 1134 bestond er in Meerssen een kapittel van seculiere kanunniken, wat blijk uit 1134 van de Luikse Bisschop Alexander I. In deze oorkonde geeft genoemde bisschop aan Otto abt van de St. Remiusabdij te Reims verlof om proost Frederik en de Clerici of kanunniken, die tot dan toe tegen een bepaalde prebende hun bediening hadden uitgeoefend in de kerk van Meerssen, bij hun overlijden te vervangen door Benedictijner monniken uit genoemd klooster. Met deze oorkonde nu begint de eigenlijke geschiedenis van de Meerssense proosdij als Benedictijnse nederzetting.

 Daar de Benedictijnse monniken gaarne bereid waren de functie van proost, de koordienst en de daaraan verbonden prebende der kanunniken over te nemen, doch niet de zielzorgelijke activiteiten, moest een regeling getroffen worden voor de Zielzorg onder de parochianen. In de akte van 23 nov. 1136, waarbij Paus Innocentius II de privileges van de kerk te Meerssen bevestigt en toestemt in de geleidelijke vervanging van de kanunniken door monniken, preciseerde genoemde paus dit door te bepalen, dat de proost van Meerssen (benoemd door de abt van St. Remi) de bewuste priester met goedkeuring van abt en monniken der St. Remigiusabdij moest kiezen, zijn bezoldiging moest bepalen en hem aan de aartsdiaken (van Kempenland, waaronder de parochie Meerssen ressorteerde) moest presenteren. De akte van circa 1136, waarbij Adalbero II  van Chiny, bisschop van Luik, de akte van Paus Innocentius II betreffende de geleidelijk vervanging van de kanunniken in de proosdij Meerssen door monniken bevestigt, en de akte van 1145 waarbij deze de monniken van St. Remigius te Reims het bezit van al hun goederen verzekert, worden ze alle vier genoemd onder de bezittingen van St. Remi in het bisdom Luik: 'cappellam de Ambe, cappellam de Squimorte, capellam de Heustan et de Bunna" Men krijgt uit de oorkonde,waarin de kapel van Bunde voor het eerst in de geschiedenis met name wordt genoemd niet de indruk dat genoemde kapellen in dat jaar of kort ervoor zijn gesticht het gaat kennelijk over reeds (lang?) bestaande bezittingen van de abdij. In de akte van 27 mei 1178 en 9 maart 1180 waarbij paus Lucius III en de akte van 1195 waarbij Adolf van Altena aartsbisschop van Keulen de rechten en bezittingen van de proosdij Meerssen bevestigen is evenals in de hierna te bespreken oorkonde van 1197 van de proosdij Meerssen bevestigen is evenals in de hierna te bespreken oorkonde van 1197 waarbij een geschil tussen abdij van St. Remigius en de parochianen van Meerssen wordt beslecht telkens sprake van de "(quatoe") cappellas ecclesiam (van Meerssen) pertinentes. Blijkbaar wist toen iedereen waar het over ging, zodra deze uitdrukking geen aanleiding gaf tot misverstanden. Wanneer in een eveneens hierna nog te bespreken oorkonden van de Luikse aartsdiaken Engelbert van Isenbruch uit 1172 de kapellen van Bunde, Amby, Houthem en Schimmert dat er bij de vier onderhorige kapellen werd begraven daar de sepultura uitzonderingen daargelaten als een distinctief van parochiekerken gold. In de scheidsrechtelijke uitspraak van 1197 wordt nauwkeurig aangegeven wat de zielzorger in de kerk van Meerssen zelf moesten doen en laten maar hoe ze de overblijvende tijd voor de vier Kapellen zullen zorgen daarover moeten ze maar eens zien te worden met de proost hun superieur. Na de taakomschrijving voor de priesters in de zielzorg wordt door beide scheidsrechters in hun uitspraak bepaald dat de priesters gehoorzaamheid en verantwoording verschuldigd zijn aan de proost van Meerssen die recht bezit hen bij gebleken hardnekkigheid in fouten te ontslaan en door andere te vervangen. Tenslotte is de proost van zijn kant verplicht aan ieder van hen jaarlijks 5 mud graan te doen toekomen en een Luikss pond terwijl hij hen tevens in het bezit moet laten van de offergaven die hen bij gelegenheid ten deel vallen.

Uit de akte van 4 juni 1272 waarbij Engelbertus van Isenbruch aartsdiaken van het bisdom Luik de benoeming en bezoldiging van twee kapelaans voor de parochie Meerssen regelt blijkt dat de kapel te Bunde zich in dat jaar in zoverre heeft losgeweekt van de kerk te Meerssen dat de kapelaan van de kapel opdracht krijgt zijn residentie te houden in Bunde; hij moest overigens zoals van ouds gebruikelijk in de vierde week in de kerk te Meerssen blijven dienen: "ordinamus quod cappelle de Bunde deserviet quartam septemanam in ecclesia de Meerssen sicut ab antiqua consuetum est, et quod eidem cappellanus seu sacerds residentiam faciet in villa de Bunde propter necessitaten populorum administradum eis sacramenta ecclesiastica". De prior of investitus van Meerssen zal de priester jaarlijks 5 mud koren het gerekend tegen 26 vaten en een Luiks uitbetalen. Het recht om de priester te benoemen komt toe aan voornoemde prior of investitus.

De eerst bekende rector te Bunde is Gisbert de Millen die de kapel in 1398 bediende. Verder kennen we voordat de kapel tot onafhankelijke parochiekerk met een eigen pastoor werd verheven nog als rectoren van Bunde: circa 1399 Gerardus dictus Vinckart de Blisia rector van het St. Agnesaltaar.

                1400 - Mathias de Voerde rector van het St. Agnesaltaar.

                1474 - Johanni Clerx.

                1485 - Joannes Neven.

                1523 - Lambrechts Daems rector van de kapel en Jan van Seuckorn van het St. Agnesaltaar.

                1534 - Matthias Bincke.

                1546 - 1559, 1567-1568 Reinier Stappaerts (Stapparts).

                1567 - 1568 N. Merwen filius Theodori rector van het St. Agnesaltaar.

                1577 - Wolter Pas.

In 1400 en 1558 is er sprake van een Maria-Altaar in de kapel van Bunde. De eerst bekende koster van Bunde is Erken Molenner die dit ambt in 1523 bekleedde.

 In welk jaar precies de kapel van Bunde tot parochiekerk is verheven is nog niet bekend. Op 5 juli 1613 werden de kerk en de altaren toegewijd aan de H. Drievuldigheid en de H. Agnes door de bisschop van Roermond Jacibus a Castro, geconsacreerd en verzoend: "ecclesia haec et altaria in honorem sanctissima Trinitatis et beata Agnestis consecrata et reconsiliata sunt a Reverendissimo Domino Jacobo a Castro Episcopo Ruremundens  5 julii Ao 1613". Nog diezelfde maand verbeterde de   bisschop ook de inkomsten van de pastoor en wel bij akte van 15 juli 1613 waarbij hij het beneficie van de H. Agnes verenigde met de pastorie. De pastoor van Bunde trok van nu af aan de inkomsten van dit beneficie onder voorwaarde dat hij wekelijks twee H.Missen las of liet lezen overeenkomstig de stichtingsbrieven. Aan dit benefice van de H. Agnes dankt de parochie haar naam: tot dan toe was de kerk (kapel) toegewijd geweest aan de H.Drievuldigheid. Tot op den heeft men steeds aangenomen dat de kapel van Bunde in 1613 door bisschop Jacobus a Castro tot parochiekerk is verheven (men heeft dan ook in 1963 het 350 jarig bestaan van de parochie herdacht). Dit mag echter ernstig worden betwijfeld; in 1603 nl. wordt Bunde reeds het H. Doopsel toegediend en dit mag men als een aanwijzing zien dat Bunde toen reeds een zelfstandige parochie was, immers de bediening van het Sacrament van de doopsel gold in die tijd als een distinctief van  parochiekerken en alleen in noodgevallen mocht er buiten de parochiekerk worden gedoopt. Maar de verheffing heeft zeer waarschijnlijk plaats gehad in of voor 1591. In het archief van Meerssen bevindt zich een lijst van goederen en erfpachten, toekomend aan de pastoor van Bunde en gekopieerd uit het origineel "mits oock gerenoviert Ao 1591-15 januarij". Deze lijst die o.a. een opsomming bevat van de pastoor toekomend "Erffgronden", Erff Pacht" en "Cinsen ende Capuynen", vormt een aanwijzing, dat de kapel toen reeds is of was verheven tot parochiekerk, immers de pastoor trekt nu veel meer inkomsten dan de proost van Meerssen hem volgens vroegere documenten verplicht is te geven (nl. 5 mud graan en 1 pond Luiks. Bovendien vormt het feit, dat er in 1591 reeds een kerkfabriek is in Bunde genoemde lijst vermeld nl. ook een opgaven van de "Rinten der fabricken tot Beundt", eveneens een aanwijzing. De aantekening van J. Habets in 1861 toen deze kapelaan was te Bunde (hij zou later rijksarchivaris in Limburg worden). In de doop-, huwelijk en overlijdensregister 1603-1747 luid: "in 1567 was Bunde quarta Capella van Meerssen en had tot pastoor Reinier Stapparts en tot Rector van het H. Agnes-altaar N. Merwen. De vergeving dezer kapel en later der kerk stond de proost van Meerssen", leert ons dat de kapel in dat jaar nog niet verheven was tot parochiekerk. Uit al deze gegevens kunnen we constateren dat de kapel van Bunde met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tussen 1567 en 1591 is verheven tot parochiekerk met een eigen pastoor. De proost van Meerssen behield echter wel tot aan de opheffing van de proosdij onder het Frans bewind het benoemingsrecht van de pastoor te Bunde. In 1599 werd Andreas Driessens tot pastoor van Bunde benoemd. In 1603 begon hij met inschrijven van de dopen in een register; vanaf 1606 tekende hij ook de huwelijken aan in dit register.

Bij jet partage-traktaat van 1661 werden de Landen van Overmaas verdeeld tussen de koning van Spanje en de Staten der Verenigde Nederland, Bunde kwam te behoren tot het Staatse gedeelte van het Land van Valkenburg. Er braken nu moeilijke tijden aan voor de katholieken in de Staatse landen; zo waren zij, die in dienst waren van de Staat verplicht om protestant te worden bv Schout, Schepen, Veldwachter, onderwijzers enz. De katholieken werden verplicht hun huwelijken te laten inzegenen door een dominee. In 1663 werden alle priesters aangezegd hun standplaats te verlaten. Pastoor Driessens is toen gevlucht uit Bunde, op passiezondag 1663 heeft hij zijn laatste althans ingeschreven doopsel toegediend in de parochie. In 1667 is de pastoor in ballingschap te Meerssen waar de kerkvervolging blijkbaar niet zo hevig was als elders gestorven en aldaar begraven. In 1664 komen we de eerste gegevens tegen over het kerkgebouw te Bunde. In een extract uit "Resolutie van Raede der vereenighde Nederlanden" van woensdag 23 januari 1664 bevattende een "Staet van der kercken der Landen van Valckenborgh ende hoe een jeder gedeelte van dien moet onderhouden gestelt uijt de Certificatien Anno 1663 gelast over te brenghen" staat over jaarlijkse inkomsten van de kerk en over het kerkgebouw van Bunde het volgende vermeld:

    "Bunde 25.2.0.

    Daeruijt moet onderhouden worden het Choor van desen gedaen bij den Pastoor. Het schip schijnt te staen tot Last van de Gemeente. Het touwe ende andere appenditien van de groote Clock schuijnen mede te staen tot Laste van den Proost".

Hieruit blijkt dat niet precies vast stond tot wiens last het onderhoud van de kerk kwam. We zien dan ook dat er steeds strijd ontstond tussen de pastoor, de proost van Meerssen en de gemeente Bunde over de vraag wie er nu voor de kosten moesten opdraaien wanneer herstellingswerkzaamheden werden verricht aan de kerk.

Bartholomeus Fraisine, priester uit het diocees Luik werd in 1668 door de proost van Meerssen bij de bisschop van Roermond voorgedragen als opvolger van pastoor Driessens. Of hij inderdaad ook benoemd is staat echter niet vast, wel staat bijna zeker vast dat hij geen zielzorg heeft uitgeoefend in de parochie ook al vanwege de kerkvervolging gedurende de periode 1663-1673 is hierboven vermelde door pastoor Driessens aangelegde doop- en huwelijksregister in ieder geval niet bijgehouden.

In 1672 werden onze streken door de Fransen veroverd en worden de katholieken in hun rechten hersteld. Bunde kreeg nu ook weer een parochieherder binnen zijn grenzen in de persoon van Gisbert Lottum priester gewijd in 1659 en voor zijn benoeming te Bunde kapelaan te Recheim, hij werd 20 juni in de parochie ge´nstalleerd. Pastoor G. Lottum begon in 1673 ook de overledenen in te schrijven in het door pastoor Driessens aangelegd register. Gisbertus Lottum beschrijft deze troebelen tijd alsvolgd:

    "Eenige jaren leefde ik in ballingschap want de pastoors waren door de kerkvervolgingen regeering der Hollander in 10 jaren uit hun kerken gejaagd in plaatsen en dorpen van het land Valkenburg aan Maastricht onderworpen."

    Op het feest van Petrus en Paulis van het jaar 1673 werd er voor het eerst weer officieel gedoopt in de parochie.

In 1674 liet de pastoor het altaar van de H. Drievuldigheid dat gedurende het Staatse bewind tot de grond was afgebroken "quod per hereticos funditus destructum fuerat" weer opbouwen. In de maand december van hetzelfde jaar werd de kerk en toren opnieuw geconsacreerd en diezelfde maand betrok de pastoor ook het pastorale huis. Pastoor G. Lottum heeft geen gemakkelijk leven gehad in Bunde evenmin trouwens zijn parochianen. Een concreet voorbeeld van de ellende die destijds geleden werd treffen we aan in de stichtingsakte van een jaargetijde opgemaakt door de pastoor op 5 november 1677 waarin we lezen:

    "hoe int iaer on heeren 1676 jnt des maents Augusti ten tijde als die stadt maestricht beleggert sijnde door 't fransse legger ontsaet den buijckloop seer regeerde met den selve waer besmett Anna van Mulcken en op den kerchoff tot Bunde kranckliggende (overmitz nijmant in sijn huis bliojven mogt wegens het kriegsvolck)" ect. Anna van Mulken zou enkele dagen later nl. op 3 september overlijden, zij is als het ware boven haar graf gestorven.

De 7 juli 1676 belegerden de Hollanders met de Spanjaarden en Duitsers Maastricht. De belegering duurde van 22 juli tot 27 augustus toen kwamen Franse troepen te hulp en bevrijdde de stad van beleg. De Hollanders en andere trokken af, het belegeringstuig en de schepen in handen der Fransen achterlatend. Gedurende de belegering waren de protestanten de kerk van Bunde met geweld binnen gedrongen en hadden een zilveren kelk en de pixis met de H. Hosties heiligschennis weggenomen. Toen de Fransen in 1678 onze streken verlieten en deze weer in de handen van de Staatsen vielen begon de ellende voor Pastoor G. Lottum pas echt goed. Onmiddellijk nl. werden zijn pastorale goederen in beslag genomen waardoor hem zijn grootste bron van inkomsten ontviel. Hij kon deze pastorale goederen voor zijn leven weliswaar terugpachten wat hij en zijn opvolgers ook hebben gedaan maar al waren de pachtkosten niet hoog het was voor hem en zijn opvolgers blijkbaar toch te veel. In 1683 was de nood zo hoog gestegen dat diverse priesters uit omliggende dorpen verklaarden dat hij niet meer kon voorzien in zijn levensonderhoud, dat ook de parochianen van Bunde niet meer voor hem konden opkomen en dat zijne tijd zodoende genoodzaakt was de parochie toe te vertrouwen aan de pastoor van Itteren. Een zelfde soort verklaring werd afgelegd door de dorpsmeesters en voornaamste ingezetenen van de parochie, die bovendien nog verklaarden dat hij tot dan toe voornamelijk uit eigen middelen in zijn onderhoud had voorzien. Of pastoor Lottum inderdaad de parochie heeft verlaten en deze volledig heeft toevertrouwd aan de zorgen van de pastoor van Itteren mag echter worden betwijfeld daar men hem in de komende jaren nog enkele keren zien optreden in Bunde nl. 1685 bij de verpachting der pastorale landerijen en in 1690 bij werkzaamheden aan de pastorie, terwijl ook het doop-, huwelijk- en overlijdensregister tot aan zijn dood in 1697 gewoon is bijgehouden. Waar pastoor Lottum in 1697 is overleden staat nergens vermeld.

 Pastoor G. Lottum werd in 1697 opgevolgd door Willem Dolmans. Deze gedoopt in de St. Martinuskerk te Wijck-Maastricht in 1668 en tot priester gewijd in 1695. Voor zijn benoeming was hij pastoor geweest in Groot Linden in het land van Cuyck. Tijdens het pastoraat van W. Dolmans vonden herstellingswerkzaamheden plaats aan het schip, de toren, het dak en het koor van de kerk (1697-1699) het portaal van de kerk en de muren rond het kerkhof (1710) en het dak van de pastorie (1713). In 1723 kreeg de parochiekerk een nieuwe klok waarschijnlijk hergoten uit de oude. Kerkvisitaties door de bisschop van Roermond vonden er in Bunde plaats in october 1705 en omstreeks 1722. De parochie telde bij deze laatste visitatie ongeveer 200 communicanten en bleek 1 ketter "une haeritica" te hebben.

Dat Joannes Bartholomeus koster, organist en schoolmeester was en zijn ambt goed waarnam. Het is evenwel te betreuren dat hij in zijn onderhoud door andere die hem overigs zeer genegen zijn, niet krijgt waar hij recht op heeft. Zijn inkomsten zijn namelijk geconfisceerd tenbate van de gemeenschap. Hij is ook schoolmeester maar word als zodanig niet door de andere erkend. De andere zullen bedoeld zijn de protestantse bestuurders van het Staatse deel van Valkenburg.

Pastoor Dolmans vocht tijdens zijn leven diverse geschillen uit met de rentmeester der geestelijke goederen, Chenel, over de pacht der pastorale landerijen en met de gemeente over de betaling van zijn stookkosten. Hij overleed te Bunde op 16 augustus 1746. Enkele dagen voor zijn dood maakte hij "eenigsins onpasselijck ende te bedde liggende" nog een aanvulling op zijn testament waarin hij o.a. een jaargetijde stichtte.

 Na de dood van Pastoor Dolmans trad Raymakers op als deservitor, plaatsvervanger. Aanvankelijk droeg de proost van Meerssen P. Proyart een zekere Joannes Willems voor om W. Dolmans op te volgen maar toen deze zich terugtrok werd Petrus Franciscus Joseph Dumolin uit het diocees Luik voorgedragen en op 7 januari 1747 benoemd. Deze was op 6 december 1720 gedoopt te VisÚ en op 19 december 1744 tot priester gewijd. Ook tijdens het pastoraat van O.F. Dumolin vonden er herstellingswerkzaamheden plaats aan de kerk en wel aan het koor, de toren en de sacristie (1756-1762). In de jaren 1776-1784 werd er een geschil uitgevochten tussen pastoor Dumolin en J.N. Loijens van Itteren over de kwestie of de hof Hartelstein nu behoorde tot de parochie Bunde od die van Itteren; beiden kwamen aandragen met diverse verklaringen van hun parochianen en uittreksels uit doop-, trouw- en sterfregisters om hun standpunt kracht bij te zetten. Uiteindelijk besliste de bisschop dat Hartelstein tot de parochie Itteren zou behoren. De pastoor vocht diverse geschillen uit met de gemeente, zowel over de betaling voor uitoefening van zijn pastorale plichten als over een slot op het hek van het kerkhof waartegen de gemeente zich verzette. Op het einde van Dumolin's in 1790 kreeg de parochiekerk een nieuwe klok, waarvan het opschrift luidde: "Uni Trinoque Deo haec ab incolis ex Bunde refunditur -1790-". Pastoor Dumolin overleed te Bunde 13 mei 1791. In zijn testament dat hij op 12.9.1790 maakte koos hij als begraafplaats het "kerkhoff in het portaal van de kerk". Op zijn begrafenis weden "Zeer Eerw: Heeren naastgeleegene Pastores", die tijdens zijn leven zijn vrienden waren geweest uitgenodigd; het waren de pastoors van Beek, Geulle, Uyckhoven, Itteren, Borgharen, Meerssen en Houthem. Verder bepaalde hij o.a. nog zijn testament dat zijn universele erfgenamen gehouden waren binnen het jaar na zijn dood op zijn graf een nieuwe blauwe grafsteen te laten leggen lang 5 en breed 3 voet waarop zijn naam, zijn sterfdag en het aantal jaren van zijn pastoraat te Bunde moest worden uitgekapt en verder niets; op zijn "doodsbriefkens" mocht ook niets anders worden vermeld. Aan zijn dienstmeid Cornelia Ronnen vermaakte hij een jaarlijkse lijfrente van "vier patacons of sestien guldens Luvx".

Na de dood van pastoor Dumolin trad Paulis Nelissen op als deservitor. In 1791 werd Wilhelmus Vreen uit Beek de nieuwe pastoor van Bunde. Hij zou slechts enkele jaren het pastoraat van Bunde bekleden want hij overleed reeds op 17 april 1795 in de jeugdige leeftijd van 31 jaar in het 8e jaar van zijn priesterschap en het vierde van zijn pastoraat.

Na de dood van pastoor Vreen trad Martinus Pluymaekers kapelaan van Meerssen eerst op als deservitor. In 1795 nog werd Mathias Servatius Kerkhoffs benoemd tot administrator van de parochie Bunde. Hij was geboren te Beek op 15 mei 1768 en studeerde humaniora te Roermond waar hij in juni 1781 priester werd gewijd. Hij zou tot in de loop van 1800 administrator van de parochie blijven en onderscheidde zich door trouwe plichtsvervulling te midden der grootste gevaren. In 1794 hadden de Fransen onze streken veroverd en braken er moeilijke tijden aan voor de kerk. Sedert 1797 werd er van de priesters een eed verlangd waarin behalve getrouwheid aan de republiek en de grondwet de betuiging van haat tegen het koningschap werd bezworen.

Omtrent de toestand in deze jaren schrijft een onbekende hand in 't doopregister van Bunde (mogelijk door Peterus Leonardus Bartholomeus, koster en organis van Bunde 1731-1815) het volgende: Terwijl ik dit schrijft de 16 juni 1797 moeten alle priesters die de fameuze declaratie aan de Franse Republiek weigeren te doen zoals bijna ook in onze buurtschap hebben geweigerd naar het voorbeeld der Belg. geestelijkheid en het betere deel van Luik, volgens van onze bisschop zich onthouden van elke geestelijke uitoefening onder straf van 500 ponden en gevangenisstraf van minstens 3 maanden; zodat onze kerken de H. Sacramenten niet meer worden toegediend ten minste niet door aangestelde priesters, de overigen gaan voort met de Mis te lezen. Zodat op Drievuldigheid zondag en op Sacramentsdag de 11 en de 15 juni hier maar een H.Mis geweest is. Dat gebeurt ook in naburige parochies zodat vele gedwongen zijn elders mis te gaan horen.

Plaatsvervangend pastoor Kerkhoffs weigerde zoals trouwens de meeste priesters de vereiste eed af te leggen en moest zich schuilhouden. In het geheim las hij de mis in een huis in de Vliegenstraat doopte daar en zegende er ook huwelijken in. "toen hij op zekere dag een huwelijk had ingezegend werden hem de gendarmen gewaar op de drempel van zijn huis; hij vluchtte door de tuin maar de gendarmen waren hem zo dicht op de hielen dat hij door een hegge kruipende eene schoen moest achterlaten". M.S. Kerkhoffs werd in 1800 tot pastoor van Elsloo benoemd, in 1826 tot kantonpastoor van Maaseik en in 1833 tot vicaris-generaal van bisschop van Bommel, hij overleed te Luik op 11.6.1838 en werd begraven te Elsloo.

In 1800 kreeg de parochie Bunde weer een echte pastoor van Jan Wijnand Thewissen geboren te Mheer in 1758 en voor zijn benoeming te Bunde kapelaan in Houthem. De staatsgreep van Napoleon Bonaparte op 9 november 1799 had inmiddels de mogelijk van verzoening met de niet beŰdigde geestelijken naderbij gebracht door de wijzingen in het bestreden eedformulier dat zich nu beperkte tot de belofte van trouw aan de republiek en de  constitutie. De bisschoppen van Roermond en Luik verboden evenwel ook het afleggen van deze eed. Ook pastoor Thewissen weigerde de gewijzigde eed af te leggen met het gevold dat hij op 25 juni 1801 werd gevangen genomen, niet te Bunde maar in Houthem zijn vroegere standplaats als kapelan waar hij blijkbaar naar toe was gevlucht. Daags daarna werd hij weer voorlopig in vrijheid gesteld op een borgtocht van 1000 francs; deze borgtocht was door bierbrouwer Gerard Nicolaas Rutten uit Maastricht voor hem gestort. Het op 15 juli 1801 gesloten Concordaat tussen Frankrijk en de H. Stoel waarbij de laatste aanmerkelijke concessies had moeten doen, was een verdere stap in de richting van de nodige pacificatie al  bleven er bezwaren bestaan die echter ten dele werden opgeheven door de in 1802 verleende amnestie aan onbeŰdigde priesters.

Op 29 augustus 1802 verklaarde pastoor het geheel eens te zijn met het concordaat en gelijk gezind te met de bisschop Zaepffel. Een gevolgd van het concordaat was o.a. dat Paus Pius VII overging tot herindeling van de op het gebied van de Franse republiek gelegen bisdommen. Het bisdom Roermond werd opgeheven en de parochie Bunde nu weer te behoren tot het bisdom Luik waar ze voor de oprichting van het bisdom Roermond in 1559 ook toe had behoord. De parochie bleef deel uit maken van het bisdom Luik tot in 1840 toen ze werd ingedeeld bij het in dat jaar opgerichte apostolisch Vicariaat Roermond in 1853 verheven tot bisdom. Bij de nieuwe parochie-indeling in het bisdom Luik in 1803 werd de kerk van Bunde verheven tot succursale kerk en werd de kerk van Itteren als hulpkerk bij de parochie Bunde gevoegd. Het kerkgebouw van Bunde was er in 1803 niet al te best aan toe: "Les fondements et le toit ont besoin de reparation";  de kerk bood destijds plaats aan 350 personen. Bij de definitieve organisatie van het bisdom Luik in 1808 werd de kerk van Itteren weer losgemaakt van de parochie Bunde en ook verheven tot succursale kerk. De parochie Bunde omvatte nu nog: Bunde, Kasen, Voulwames en twee huizen dicht bij Weert. In 1808 kreeg de parochiekerk een tweede torenklok die het volgende opschrift droeg:

            "Sono meo Christianos ad Sacra voco- 1807. Parrain Jean Lambert de Lenaerts, Marraine Maria Anna Mulleneers, Sous la Regie de Sieur Henry Voncken maire et de J.W. Thewissen, cure de Bunde 1808

  "Pastoor Thewissen kreeg in 1816 hulp van een kapelaan T.J. Ruth geboren te Moelingen in 1765 kanunnik van O.L. Vrouw te Maastricht in 1784 en priester gewijd in 1789 was de eerste kapelaan van Bunde en hij zou dit ambt blijven uitoefenen in de parochie tot aan zijn dood in februari 1839.

We hebben hierboven gezien dat het kerkgebouw er in 1803 niet al te best aan toe was, maar het zou tot 1821 duren eer man met plannen kwam om de kerk en de toren te restaureren en te vergroten, dit was noodzakelijk: "de eerste ter voorkoming van alle ongelukken welke door het staan in het portaal en op den kerkhoff word veroorzaakt uit den weg te ruimen". Het kerkbestuur richtte nu een verzoek om subsidie tot de koning om in de kosten te kunnen voorzien. Het gemeentebestuur ondersteunde dit verzoek in zijn vergadering van 31 december 1821 maar deelde tegelijkertijd mee zelf niet te kunnen bijdragen. Tot overmaat van ramp sloeg ook nog de bliksem in de kerktoren op 4 juni 1822. Voor f 70,- werd de schade die de bliksem had veroorzaakt onmiddelijk hersteld. Pastoor Thewissen zou de restauratie van de kerk niet meer beleven hij stierf op 24 september 1825. In zijn testament wees hij het kerkhof van Bunde aan als zijn begraafplaats. e pastoors uit de omgeving werden op zijn begrafenis genodigd; vier van hen moesten met flambouwen "op de hoeken het baarkleed vasthouden"zijn dode lichaam "ter kerke vergezelschappen door 4 respectieve nabuuren gedragen". Zijn erfgenamen waren gehouden binnen het jaar na zijn afsterven op zijn graf een nieuwe blauwe grafsteen lang 5 voeten en breed 3 voeten te leggen waarop zijn naam, zijn sterfdatum en het aantal jaren van zijn pastoraat in de parochie moesten worden vermeld, dit moest ook worden vermeld op zijn "doodsbriefkens". Zijn dienstmeid Maria Margaretha Hotty vermaakte hij "300 Gulden Luiksch eens, 1 pluimen matras 2 paar goede slaaplaekens, 2 kusteeken, 6 handdoeken en voorders wat zich op hare slaapkamer bevindt".  Als zijn executeur testamentair weest hij S. Swelsen, pastoor te Geulle aan.

Op 30 september 1825 werd Joannes Gerardus Frijns benoemd tot opvolger van Pastoor Thewissen, hij werd op 10 oktober 1825 ge´nstalleerd. J.G. Frijns was op 17 september 1798 geboren te Teuven en in 1821 priester gewijd in Luik; voor zijn benoeming te Bunde was hij kapelaan geweest te Mheer. Tijdens het pastoraat van J.W. Thewissen waren reeds de eerste plannen gemaakt voor de restauratie van de kerk en de kerktoren maar het zou nog tot 1827 duren eer deze plannen definitieve vormen gingen aannemen. De kosten van de restauratie werden begroot op f 3500. Het rijk (f 1500) en de provincie verleende subsidie, kapelaan Ruth droeg f 283,50 bij terwijl het gemeentebestuur beloofde om f 904 bij te dragen te verdelen over 4 jaar. Maar de kerk en de toren waren inmiddels zo zeer vervallen dat "men genoodzaakt werd het besluit te nemen van de kerk en toren af te breken".

Gedurende de jaren 1828, 1829 werden de kerk en de toren opnieuw opgebouwd; de uiteindelijke kosten bedroegen f 4819,74 1/2. De gebruikte bouwmaterialen bleken weldra niet van de beste kwaliteit te zijn, gemend met pekel tweemaal te bedekken, daar "de konstruktie van het gebouw van de kerk en toren alhier ter oorzaak van de onderschiedene bouwstoffen met dewelke dit gebouw is zamengesteld niet de gewenschte starkte welke men daarvan zoude verwagt hebben aanbied".

Inmiddels had de gemeente de pastorie die haar eigendom was in 1827 ook gerestaureerd. Ook die restauratie bleek niet aan de verwachtingen te voldoen zodat de gemeente genoodzaakt was in 1834 over te gaan tot een nieuwe restauratie waarbij de "oude leemen wanden door een nieuwe brikkenmuur"weden vervangen en het strodak door een pannendak. In de jaren 1842, 1843 weden er een nieuw koor en een nieuw sacristie aan de kerk gebouwd waarvoor aan de gemeente Bunde bij K.B. van 10 augustus 1841 een rijkssubsidie van f 750,- werd verleend om daarmee de kerkfabriek in staat te stellen voor de bouw.

Op 9 juli 1849 ging het kerkbestuur met de heren J.W. en J.P. Ramakers uit Schinnen een overeenkomst aan voor het maken en leveren van een nieuw altaar. Dit nieuwe altaar wed op 7.7.1865 geconsacreerd door monseigneur Paredis, diezelfde dag diende de bisschop het H. Vormsel toe aan 34 jongens en 42 meisjes die hun eerste H. Communie hadden gedaan in de jaren 1850-1855.

 Het altaar zou tot aan de sluiting van de oude kerk dienst blijven doen en bevindt zich thans in de St. Stephanus-Kerk te Grevenbroich-Elsen in Duitsland. Op 10 oktober 1859 ging het kerkbestuur een overeenkomst aan met aannemer J. Bremken uit Luik om voor f 600,- het plafon van de kerk te vernieuwen, hiervoor kreeg de kerkfabriek een rijkssubsidie van f 200,- en een provinciale subsidie van eveneens f 200,-. Al met al kan men pastoor Frijns die de parochie in 1864 verliet en op 27 april 1865 overleed in St.Maartensvoeren beschouwen als een echte bouwpastoor. Tijdens het pastoraat zou worden en J. Habets de latere rijksarchivvaris in Limburg. Deze laatste beviel het kapelaansambt niet al te best blijkens een opmerking in zijn dagboek bewaard in het rijksarchief in Limburg luidend "Later in mijn eentonig leven als dorpskapelaan te Hunsel, Bunde en Bergh waren de boeken mijn voornaamste uitspanning".

Pastoor Frijns werd in 1865 opgevolgd door Jan Willem Hamers geboren te Geleen in 1817 en priester gewijd in 1841. Hij zou tot in 1872 pastoor van Bunde Blijven, in dat jaar werd hij benoemd tot parochieherder van Ulestraten alwaar hij in 1878 ontslag nam. Hij overleed te Echt op 19 maart 1884.

De nieuwe parochieherder van Bunde werd op 11.3.1872 Hermanus van Haeff geb. te Meerlo op 3 juni 1821, priester gewijd te Roermond op 24 december 1848 en vervolgens voor zijn benoeming tot pastoor van Bunde , kapelaan te Bunde (1849-1855), Slenaken (1857-1861) en Pey (1861-1872). De verhouding tussen pastoor van Haeff enerzijds en het kerk- en het gemeentebestuur anderzijds was vaak ronduit slecht te noemen. Het gemeente- en kerkbestuur ondernamen in 1879 zelfs diverse pogingen bij de bisschop om de pastoor naar elders verplaatst te krijgen en zelfs een nieuwe parochieherder te krijgen zij het echter zonder enig resultaat. Over de vele conflicten van de pastoor met de gemeente en het kerkbestuur is helaas niets (meer) te vinden in het parochiearchief maar wat pastoor van Haeff dacht van het gemeentebestuur kan men opmaken uit zijn ironische opmerking boven een brief van B. en W. van Bunde inzake het afbreken van de bakoven aan de pastorie: "Ad perpetuam rei memoriam - Moeijelijkheden over een ingevallen bakoven". Tijdens het pastoraat van H. van Haeff die overleed te Bunde op 29 november 1839 werd de pastorie met tuin door het gemeentebestuur overgedragen aan de parochie en wel bij akten van 27 december 1886.

Eduardus Hubertus Haenen werd op 23 december benoemd tot opvolger van pastoor van Haeff en op 30 januari 1894 ge´nstalleerd in de parochie. Hij was geboren te Maastricht op 23 mei 1850 en priester gewijd te Roermond op 28 augustus 1874. Alvorens pastoor van Bunde te worden was hij ruim 10 jaar leraar aan het bisschoppelijk college te Roermond (1874-1884) en ruim 9 jaar kapelaan te Weert (1884-1893). Tijdens Haenen's pastoraat is weer veel gebouwd in de parochie. In 1895 werd allereerst opnieuw geschilderd, dit werk werd voor f 935,- uitgevoerd door G. Deumens uit Venlo. Om het schilderswerk te bekostigen werd van oktober 1894 t/m september 1895 een maandelijkse collecte gehouden waarvan de gezamelijke opbrengst f 558,64 bedroeg. In 1897 werd de oude pastorie afgebroken en verrees er een nieuwe gebouwd door aannemers J.Lemmens en J.Nijsten uit Bunde. De gemeente verleende een subsidie van f 800,- en de provincie van f 500,-, de uiteindelijke kosten bedroegen f 7653,40. Tegelijkertijd werd er een ingang naar de tuin van de pastorie gemaakt wat f 247,44 kostte en werd de kerkmuur verlengd voor f 230,90. Tijdens de bouwwerkzaamheden nam de pastoor zijn intrek bij de zusters Franciscanessen in Overbunde. In 1905 werd de kerk gerestaureerd en verbouwd. De toren werd afgebroken en er verrezen twee nieuwe torens voor in de plaats terwijl het kerkgebouw werd verlengd. Dit werk werd uitgevoerd door aannemer J.Muijres uit Sittard naar een plan van N.Ramakers uit Munstergeleen. Met de bouw van een nieuwe kerkhofmuur in 1907 kwam er een einde aan de bouwactiviteiten van pastoor Haenen die op 20 november 1907 werd benoemd tot pastoor van Houthem, in 1910 pastoordeken te Weert werd en in 1920 kanunnik van het kathedraal kapittel en overleed te Weert op 11 december 1930.

Pastoor Haenen werd opgevolgd door Johannes Hubertus Lodevicus Stassen geboren te Hulsberg op 17 maart 1862 en priester gewijd te Roermond op 10.4.1886. Na achtereenvolgens kapelaan te zijn geweest in Ulestraten en Weert werd hij op 18 november 1907 benoemd tor pastoor van Bunde en aldaar ge´nstalleerd op 16 december. Bij gelegenheid van zijn installatie schonk hij een raam voor de kerk. Hij zou nog geen vijf volle jaren parochieherder van Bunde blijven want reeds op 13 september 1912 werd hij benoemd tot pastoor van Heerlerheide, in 1929 werd hem eervol ontslag verleend en vestigde hij zich in Meerssen tot 1940 toen hij wegens zijn gezondheidstoestand werd opgenomen in het sanatorium te Heerlen waar hij op 2 december 1943 overleed.

Tot opvolger van pastoor Stassen benoemde de bisschop Wilhelmus Mathias Hubertus Joosten, geboren te Panheel op 14 april 1855, priester gewijd te Roermond op 25 maart 1882 en voor zijn benoeming te Bunde achtereenvolgens kapelaan te Leveroy en Baarlo, rector te Leunen en pastoor te Broekhuizen en Urmond. Hij bleef tot 1924 pastoor van Bunde en vestigde zich na zijn ontslagname als rustend pastoor te Vroenhoven-Houthem waar hij op 17 september 1931 overleed.

Pastoor Joosten werd in 1924 opgevolgd door Jan Leonard Eijdems. Deze was geboren te Eijgelshoven op 20 september 1867 en priester gewijd op 10 maart 1894. Hij was leraar aan het bisschoppelijk college te Roermond (1893-1898), lector te Mook (1898-1900), kapelaan aan de St.Servaas te Maastricht (1900-1909) kapelaan te Houthem (1909-1915), pastoor te Dieteren (1915-1919) en rector te Eijsden (1919-1924) alvorens hij werd benoemd tot pastoor van Bunde. Onder zijn pastoraat werden er in de kerk aan weerszijden van het priesterkoor twee kinderkappellen gebouwd door aannemer Smeets uit Meerssen, het timmerwerk werd verricht door G.Stijns; de totale kosten van dit project bedrogen f 5700. In 1929 werd de openbare jongensschool door het gemeentebestuur van Bunde overgedragen aan het kerkbestuur en omgezet in een bijzondere lagere jongensschool. Op paasmaandag 1929 werd de school gelegen aan de Vliegenstraat ingewijd door deken W.Kallen. Alles verliep niet vlekkeloos die dag blijkens een aantekening van de pastoor: "Paaschmaandagmorgen stond op de schoolwoning eene zwarte vlag: teken van rouw wegens niet-benoeming van de heer Harings?? Ook had men in den nacht affiches aangeplakt. Eere de aanplakkers."  Op 1 oktober 1933 nam pastoor Eijdems ontslag en vestigde hij zich te Beek. Zijn gehechtheid aan Bunde bleef echter zeer groot, wat hij o.a. liet blijken door de parochie nog vele malen te bezoeken na zijn ontslag. Toen hij op 28 januari 1937 in Beek overleed liet hij zich dan ook begraven op het kerkhof in Bunde.

Op 20 september 1933 benoemde Mgr. Lemmens Petrus Joannes Hub. Franken tot opvolger van pastoor Eijdems. Hij was geboren te Weert op 30 mei 1878 en priester gewijd te Roermond op 28 maart 1903. Na zijn priesterwijding was hij achtervolgens kapelaan te Linne (1903-1905), Posterholt (1905-1910) en Nederweert (1910-1925) en pastoor te Jabeek 1925-1933). Hij vestigde zich op 23 oktober 1933 in de pastorie te Bunde en werd op 5 november officieel ge´nstalleerd. Op 20 september 1938 vroeg hij om gezondheidsredenen ontslag aan, wat hem door de bisschop werd verleend. Hij vestigde zich na zijn ontslag als rustend pastoor te Roermond waar hij op 25 september 1946 overleed.

Maria Hubertus Gerardus Stassen, oomzegger van de vroegere pastoor (1908-1912) werd in 1938 door de bisschop benoemd tot opvolger van pastoor Frenken. Hij is geboren te Schimmert op 4 november 1889, priester gewijd te Roermond op 20 maart 1915 en voor zijn benoeming te Bunde kapelaan van Buggenum (15-1919) en Eijsden (191-1933) en pastoor van Schreulder (1933-1938) geweest. Pastoor Stassen werd op 23.10.1939 ge´nstalleerd in de parochie. Op het einde van zijn pastoraat werd een begin gemaakt met de eerste acties voor de bouw van een nieuwe kerk daar de oude inmiddels te klein was geworden voor de snel uitbreidende parochie. Voor de bouw van de nieuwe kerk zou de bisschop echter bouwpastoor benoemen. Aan pastoor Stassen werd in 1957 eervol ontslag verleend. Na nog een jaar in de parochie te hebben verbleven vestigde hij zich in Maastricht. Vanaf 1968 verblijft hij in Geleen.

Op 6 augustus 1957 werd Frans Willem Jozef Robroek door de bisschop tot pastoor van Bunde met de opdracht er een nieuwe kerk te bouwen. Pastoor Robroek was geboren te Heerlen op 13 maart 1917 en werd op 21 maart 1942 tot priester gewijd in Roermond. In 1942 werd hij benoemd tot kapelaan te Vaals en in 1946 tot directieassistent van het koloniehuis "Overbunde". Zijn installatie als pastoor van Bunde had plaats op 8 september 1957. Onder zijn enthousiaste leiding kwam er een prachtige nieuwe kerk tot stand aan het Kerkplein ontworpen door de architecten J.J.Fanchamps uit Heerlen en J.F.M.W van der Pluym uit Bunde. De nieuwe kerk werd op 2 juli 1960 geconsacreerd door P.J.A. Moors bisschop van Roermond. Bij de nieuwe kerk werd ook een nieuwe pastorie gebouwd. Pastoor Robroek stierf op 22 mei 1970 in zijn parochie en werd begraven op de algemene begraafplaats bij de nieuwe kerk. Burgemeester en wethouders kende hem bij besluit van 27 mei 1970 postuum de eremedaille der gemeente Bunde toe.

Op 18 augustus 1970 werd Bernardus Martinus Theodorus Maria Goumans benoemd tot opvolger van pastoor Robroek hij werd op 26 september 1970 ge´nstalleerd in de parochie. Pastoor Goumans is geboren te Venray op 25 oktober 1970. Priester gewijd te Roermond op 25 maart 1950. Voor zijn benoeming tot pastoor te Bunde was hij kapelaan in de basiliek van het Onbevlekte Hart van Maria te Maastricht (1950-1953) en kapelaan in de basiliek van O.L. Vrouw ten Hemelopneming (Sterre der Zee) eveneens te Maastricht.

 

 

HBartholomeus@home.nl